Beleggers begonnen 2026 optimistisch. De effecten van eerdere handelsconflicten bleven beperkt en de inflatie ontwikkelde zich gunstig. Er was ruimte voor gematigde economische groei en zicht op versoepeling van het monetaire beleid. In de loop van het kwartaal keerde het tij. Het positieve beeld werd overschaduwd door oplopende geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten. De escalatie van het conflict in Iran begin maart leidde tot sluiting van de Straat van Hormuz. Dat verstoorde de olie- en gasleveringen uit de Golfregio. De olieprijs steeg tot boven de 100 dollar per vat. Ook gasprijzen in Europa en Azië stegen flink. Dit resulteerde in een wereldwijde energieschok. Het legde pijnlijk de Europese en Aziatische afhankelijkheid van olie en gas uit de Golfregio bloot. Op de korte termijn was er geen concrete oplossing in zicht voor het verder oplopende conflict. Dat veroorzaakte een breed negatief marktsentiment en groeiende onzekerheid onder beleggers.
Doordat de energieprijzen stegen, liep de inflatie in de eurozone weer op boven de doelstelling van 2% van de Europese Centrale Bank (ECB). Het risico op stagflatie – meer inflatie en minder groei – lijkt dan ook steeds groter te worden. Hierdoor worden centrale banken terughoudender met mogelijke renteverlagingen. De renteverlaging van de ECB in april, waarmee de markt eerst rekening hield, lijkt voorlopig van de baan. Ook in de Verenigde Staten daalde de verwachting dat de Amerikaanse centrale bank, de Federal Reserve (Fed), de rente zou gaan verlagen.
Hoewel beleggers zich zorgen maken over stagflatie en de effecten van de sluiting van de Straat van Hormuz, lijkt de impact op de Europese economie nog mee te vallen. De koopkracht van consumenten daalt. Vooral de transportsector, industrie, logistiek en landbouw hebben last van prijsstijgingen. Desondanks liet de inkoopmanagersindex (PMI) van de productiesector in de eurozone de sterkste groei zien sinds mei 2022.
Aandelen
Door de onrust in het Midden-Oosten waren de aandelen van bedrijven in de energiesector de absolute koplopers in het eerste kwartaal. Dat gold vooral voor bedrijven in de olie- en gassector. Ook nutsbedrijven en meer defensieve sectoren deden het goed. Het beeld van bedrijven die actief zijn in hernieuwbare energie was wisselend. Omdat zowel de energieprijzen als de inflatie stegen, hielden consumenten de hand op de knip. De sector cyclische consumentengoederen bleef dan ook achter. Dit was vooral te merken bij producten als luxeartikelen en auto’s.
De koersen van bedrijven in de technologiesector ontwikkelden zich wisselend. Aandelen van bedrijven in de chipindustrie presteerden sterk doordat investeringen in AI structureel hoog bleven. Wel vond er een waarderingscorrectie plaats, waarbij beleggers winst namen op grote techaandelen als Microsoft en Nvidia. De vraag binnen de AI-sector verschoof van losse chips naar complete productieketens, waarbij de complexiteit van chips snel toeneemt. Ook konden toeleveranciers in de halfgeleiderketen profiteren. De sector Software as a Service (SaaS) stond daarentegen onder druk doordat de omzetgroei vertraagde, de aandelen hoog waren gewaardeerd en de zorgen over de impact van kunstmatige intelligentie toenamen. Beleggers vrezen dat bestaande software‑ en informatiediensten sneller hun onderscheidende vermogen verliezen door AI.
Obligaties
In het eerste kwartaal van 2026 stonden obligatiekoersen onder druk door een onverwachte stijging van de marktrentes. Dit resulteerde in licht negatieve rendementen voor de meeste vastrentende waardes.
Kapitaalmarktrentes liepen flink op: de rente op de Nederlandse tienjarige staatsobligatie liep op tot 3,09% en die op de Duitse tot 3,01%. De belangrijkste reden hiervoor was de onrust in het Midden-Oosten. Deze dreef de energieprijzen op en wakkerde daardoor de angst voor inflatie onder beleggers aan. Zowel de ECB als de Fed hielden de rente constant, terwijl de markt begin 2026 nog rekende op renteverlagingen. Daarnaast gaven overheden aanhoudend staatobligaties uit om overheidstekorten te financieren en defensie-uitgaven te bekostigen. Dit grote marktaanbod deed de rentes extra stijgen.
Het verschil tussen de rente op vijfjarige staatsobligaties van Duitsland en die van andere eurolanden (de spreads) liep in januari en februari terug. In maart keerde het sentiment en liepen de spreads uit. Italië deed het duidelijk slechter: de spread tussen Italië en Duitsland is inmiddels groter dan die tussen Frankrijk en Duitsland. Ook de rente op groene obligaties steeg, maar in beperkte mate.
Microkredieten
Het fonds belegt geld in microfinancieringsinstellingen (MFI’s) in opkomende landen. Spanningen in het Midden-Oosten veroorzaakten grotere wisselvalligheid van valutakoersen, wat het rendement negatief beïnvloedde. Het fonds verstrekte €23 miljoen aan leningen aan zeven MFI’s. Een daarvan is nieuwkomer Kashf in Pakistan. Deze MFI biedt huishoudens met een laag inkomen toegang tot verantwoorde financiële diensten, met bijzondere aandacht voor vrouwelijke ondernemers. Eind maart was 86,5% van het fondsvermogen geïnvesteerd.
Ondanks de onzekerheid op de financiële markten overheerst de verwachting dat de wereldeconomie veerkrachtig blijft. Deze onzekere tijden benadrukken het belang van financiële inclusie voor huishoudens in opkomende markten. De nieuwe investeringen die het fonds dit kwartaal heeft gedaan in Zambia, Moldavië, Indonesië, Pakistan, Georgië, Kosovo en Ecuador zullen hier positief aan bijdragen.
Duurzame beleggingsdoelstelling – Artikel 9