De financiële markten stonden in het begin van het tweede kwartaal onder druk van de aanhoudende geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten. Door de sluiting van de Straat van Hormuz steeg de olieprijs tot boven 110 dollar per vat. Dit wakkerde de zorgen over inflatie aan en bracht centrale banken in een lastige positie. Zowel de Europese Centrale Bank (ECB) als de Amerikaanse centrale bank, de Federal Reserve (Fed), wijzigden de rente aan het begin van het kwartaal niet, terwijl de markten juist hadden gerekend op renteverlagingen.
In de loop van het kwartaal keerde het tij geleidelijk. Begin mei ontstond er hoop op een akkoord tussen Iran en de Verenigde Staten. Dat deed de obligatierentes tijdelijk dalen. Medio juni namen de spanningen verder af. Op 14 juni werd een Memorandum van Overeenstemming tussen de VS en Iran opgesteld. In dit veertienpuntenplan stond onder meer dat er een einde zou komen aan de oorlog op alle fronten. Als gevolg daarvan zakte de olieprijs sterk; deze eindigde juni vrijwel op het niveau van vóór het conflict. De rente daalde mee met de olieprijs, maar in iets mindere mate.
Ondanks de aanhoudende onzekerheid bleef de economie over het algemeen veerkrachtig. De Amerikaanse consumptie hield stand. De werkloosheid in de VS bleef beperkt, hoewel de groei van de werkgelegenheid vertraagde. In Europa verbeterden de groeivooruitzichten voorzichtig, nadat ze eerder flink waren gedaald.
De ECB bevond zich in een ongemakkelijke positie, want doordat Europa afhankelijk is van olie en gas uit het Midden-Oosten, zijn toekomstige beslissingen over de rente sterk afhankelijk van externe factoren. Tegelijkertijd kampte Europa ermee dat de overheidstekorten stegen en er steeds meer staatsleningen werden uitgegeven. De Amerikaanse Federal Reserve sloeg onder de nieuwe voorzitter Warsh een havikachtige toon aan – hij geeft prijsstabiliteit prioriteit boven het stimuleren van de economische groei. Ook schafte hij de forward guidance af waarmee de Fed de marktverwachtingen over toekomstige rentetarieven beïnvloedde. Dat vergrootte de onzekerheid over het toekomstige rentebeleid.
In het tweede kwartaal bleef kunstmatige intelligentie (AI) de financiële markten grotendeels bepalen. Beleggers werden echter selectiever, waardoor de koersen van sommige bedrijven in de AI-keten harder stegen dan andere. De aandacht verschoof van grote technologiebedrijven naar bedrijven die direct verdienen aan de bouw van AI-infrastructuur, zoals halfgeleiderapparatuur en aanverwante technologie.
Aandelen
Door de onrust in het Midden-Oosten was het een bewogen tweede kwartaal voor de aandelenmarkten. Ze sloten het echter positief af. Aan het begin van het kwartaal schommelden de koersen fors. Het tijdelijke staakt-het-vuren tussen de VS en Iran veroorzaakte opluchting op de markten, maar beleggers bleven alert. AI-bedrijven domineerden de markt; de grootste koersstijgingen vonden plaats in de halfgeleiderindustrie.
Na de koersstijging in april trokken de aandelenkoersen in mei verder aan doordat de vraag naar IT-beveiliging, cloud-infrastructuur en halfgeleiderapparatuur voor AI aanhield. De wisselwerking tussen AI en cybersecurity was een opvallend thema: naarmate bedrijven hun digitale infrastructuur uitbreiden, neemt de kwetsbaarheid voor aanvallen toe. Later in het kwartaal werden de koersstijgingen gedragen door een bredere groep bedrijven en stabiliseerden ze.
In juni leek de AI-rally wat af te koelen nadat halfgeleiderbedrijven er niet in slaagden de verwachtingen voor AI-chips naar boven bij te stellen. Beleggers werden kritischer over de omvang van investeringen door grote technologiebedrijven in datacenters. Zij vroegen zich af wanneer deze winstgevend worden. De aandacht verschoof naar bedrijven in de toeleveringsketen van AI en naar bedrijven die AI-ontwikkelingen ondersteunen. Doordat beleggers terughoudender werden over de IT-sector, deden de sectoren gezondheidszorg, financiële dienstverlening en industrie het beter in juni. Europese aandelen profiteerden ervan dat de zorgen over energie afnamen na het akkoord met Iran, ondanks de renteverhoging van de ECB halverwege juni.
Obligaties
De obligatiekoersen waren, net als de aandelenkoersen, behoorlijk wisselvallig in het tweede kwartaal. Ook hier was de oorzaak de instabiele geopolitieke situatie in het Midden-Oosten. In april bleef de rente per saldo onveranderd; de rente op de tienjarige Nederlandse staatsobligatie steeg licht van 3,14% naar 3,17%. In mei zorgde hoop op een akkoord tussen Iran en de VS aanvankelijk voor een rentedaling. Toen een definitieve deal uitbleef liep de rente weer op, maar daalde eind mei opnieuw snel naar 3,06%.
Na de aankondiging van het veertienpuntenplan voor vrede tussen de VS en Iran halverwege juni daalden de olieprijzen sterk. De rente volgde. De rente op de tienjarige Nederlandse staatsobligatie daalde verder van 3,06% naar 2,98%.
Het fonds schreef in op groene obligaties van onder meer de Franse staat, de Duitse KfW Development Bank, de Nordic Investment Bank (NIB), de Nederlandse Waterschapsbank en de Europese Investeringsbank (EIB). Groene obligaties deden het gedurende het hele kwartaal even goed of beter dan grijze staatsobligaties.
Microkredieten
Het fonds belegt geld in microfinancieringsinstellingen (MFI’s) in opkomende landen. De oorlog in het Midden-Oosten veroorzaakte grotere wisselvalligheid van valutakoersen, wat het rendement negatief beïnvloedde. Het fonds verstrekte €28,4 miljoen aan leningen aan elf MFI’s in diverse landen, waaronder Georgië, Kazachstan, India, Ecuador en Mexico. Nieuwkomers zijn VisionFund Ghana, FinCredit uit Bosnië en Herzegovina en LOLC Finance uit Sri Lanka. Eind juni was 93,6% van het fondsvermogen geïnvesteerd.
FinCredit in Bosnië en Herzegovina is in 2015 opgericht om de financieringskloof te dichten voor kleine zelfstandigen en ondernemers die in de Balkanrepubliek van oudsher moeilijk toegang hebben tot bancaire financiering. Inmiddels heeft de organisatie meer dan 15.500 ondernemers als klant; er staat in totaal 52 miljoen euro aan krediet uit.
Door de oorlog in het Midden-Oosten houdt de onzekerheid op de financiële markten aan. Hoewel lokale economieën veerkrachtig zijn, kunnen de grote onzekerheden het optimisme temperen. Toch overheerst de verwachting dat de wereldeconomie op middellange en lange termijn veerkrachtig blijft. Deze onzekere tijden onderstrepen het belang van financiële inclusie. Toegang tot spaar- en verzekeringsproducten en microkredieten stelt huishoudens in opkomende markten in staat meer grip te krijgen op hun financiële stabiliteit. De nieuwe investeringen die het fonds dit kwartaal heeft gedaan in Zambia, Moldavië, Indonesië, Pakistan, Georgië, Kosovo en Ecuador dragen hier positief aan bij. .
Duurzame beleggingsdoelstelling – Artikel 9